
Roger Waters doet meer dan ooit van zich spreken, zeker online. De ene keer valt dat beter dan de andere keer. Het – ongewenste – (bij)effect is, dat dat soms het eigenlijke “werk”, de kunst en creativiteit van een artiest gaat overschaduwen. Sterker nog: er zijn twee kampen ontstaan. Vóór en tégen Roger Waters. Geheel in de stijl van deze tijd, waarin een middenweg niet meer mag bestaan. We kunnen dan licht vergeten waar het bij Roger Waters om draait: een uniek talent. Dat talent kwam bijzonder divers tot uiting bij Pink Floyd, maar even zo divers tot uiting solo. Het werd op het albumfront, door de decaden heen, echter steeds stiller. Albums als The pros and cons of hitchhiking (1984) en – het minimaal onderschatte en te vaak miskende – Radio K.A.O.S (1987) verschenen een 3 tal jaar na elkaar. Daarna duurde het 5 jaar tot – het overigens magistrale, zo niet zijn beste solo album Amused to death (1992) – verscheen. Vervolgens duurde het 25 (!) jaar voordat Is this the life we really want(2007) – een ondergewaardeerd en wat onzichtbaar 4e album. In de afgelopen 40 jaar zou het dus bij – officieel – 4 echt nieuwe albums blijven, afgezien van live cd’s en DVD’s.
Het 7e solo album van Waters – een opnieuw bezoeken van het album Dark side of the moon, (1973) 50 jaar na dato, doet veel stof opwaaien. Is het niet dat hij dit bekendste album van Pink Floyd zichzelf zou willen toe-eigenen, dan is het wel dat hij snel zou willen cashen en in creatieve armoede zit. Bovenal zou hij DSOTM verminkt hebben. Het zijn weer dezelfde, vlugge, zwaar oppervlakkige meningen en recensies – en niet van de minsten – die men pagina’s lang kan lezen op internet. En wat je vaak leest kan als een waarheid gaan aanvoelen en fan en geïnteresseerde doen besluiten deze schijf links te laten liggen. Zwaar ten onrechte, en hieronder wel hierom.
Allereerst vindt ik het gegeven op zich boeiend dat een 80 jarige muziekartiest in zijn muziek terugkijkt. Allereerst: dat mág op je 80ste. Dat kún je ook pas op gevorderde leeftijd. Mensen op leeftijd, in zijn algemeenheid, hebben vaak zinnige dingen te zeggen en een diepgang. De ene 80 jarige is blijkbaar echter niet de andere 80 jarige, gezien de – totaal overdreven – aandacht voor Mick Jagger, de Rolling Stones en hun nieuwe album Hackney Diamonds. Deze bezingt dat zijn vriendin (?) niet boos op hem moet zijn en klaagt dat hij al een maand geen seks heeft gehad. Enorm hip zogenaamd om dit op je 80ste nog – steeds – te bezingen, maar het heeft de diepgang van een surfplank.
Naar het album: Dark side of the moon redux ademt welhaast de sfeer uit van de/het laatste album(s) van Johnny Cash of Leonard Cohen. Roger Waters draagt de nummers voor – of becommentarieert deze – op bijna declamerende, spoken-word wijze. Om dat boeiend te laten zijn, heb je de goede stem nodig. Laat dat nou één van de unique selling points zijn van Roger Waters (denk aan de kippenvel veroorzakende voordracht in The three wishes op Amused to death.)
Speak to me ‘The memories of a man in his old days.. ‘ opent indringend ‘You get your chance to try, within the twinkling of an eye. Eighty years, with luck.. or even less.’ Hij voelt zich duidelijk gezegend met zijn, pas, bereikte 80 jarige leeftijd. Niet de tekst die je van Waters zou verwachten en die zijn hele persoon in een ander daglicht laat schijnen.
Breathe – wie zei dat álle gitaar uit deze versie gehaald was ? – is een prachtig meeslepend, gestripte versie geworden. Alhoewel gestript in het geluid nauwelijks van toepassing is, als je het over albums van leden van Pink Floyd hebt, gezien hun diepte. Wie had het in Godsnaam over muziek voor in het bejaardentehuis? Deze versie snap je misschien niet als je als 20 of 30 jarige naar het album kijkt, maar als je zelf ‘aan de andere helft’ bent aanbeland, voel je deze uitvoering aan. Met kippenvel. On the run is een wat sinister hoorspel geworden. Ook nog even de zogeheten recensenten geadresseerd die Waters verwijten zich het album alsnog toe te eigenen: bij ieder nummer wordt de componist genoemd: in het geval van On the run: David Gilmour. In de bewerkte versie hier draagt Waters de tekst voor, al was het een hoorspel. Op het eind lijkt het wel alsof je Fish (ex Marillion) hoort in The plague of ghosts. Ik vind het mooi. Beklemmend en indringend.
Time komt al even donker tot je, en kijkend naar de hoes van Dark side of the moon redux roept het ook weer de sferen van Animals op. Maar tegelijkertijd wordt de zwaarte vermengd met een subtiele melancholieke akoestische gitaar. Het is die stem. Die klank. Die nog net zo veelzeggend en venijnig is als zingend op de plaat van een halve eeuw terug. Kracht en uithalen hebben plaatsgemaakt voor nog meer diepte en zeggingskracht. Wederom wordt aangetoond dat je niet hoeft te zingen als een Pavarotti om over te komen en gegrepen te worden door een stem. De toevoeging van oosters klinkende strijkers zijn geslaagd te noemen en dragen bij tot een nieuw mysterie waarmee deze herinterpretatie van TDSOTM is omgeven. Ik trek deze redux versie zéér. TDSOTM is Roger Waters ten voeten uit.
The great gig in the sky is voorzien van een voice-over van Waters die zijn herinneringen toevoegt aan de tijd dat dit nummer werd opgenomen. Het is alsof de nummers van TDSOTM een rijpheid gekregen hebben die past in deze tijd. Het is zeker geen makkelijke 2.0 versie van een bestaand album. Waters heeft er wel degelijk een nieuwe ziel aan toegevoegd. Als TDSOTM het voorjaar was, luisteren we nu naar de (late) herfst. De bladeren die aan deze versie verschijnen zijn geen stervend iets, maar voorzien van prachtige kleuren, alsof de boom nog één keer zijn schoonheid laat zien in een onverwacht stil vuurwerk. Ontroerend mooi. Ik weet, ik ben nu vatbaar voor deze beeldschepperij: het is buiten al de hele dag zwaarbewolkt en regenachtig bij 10 graden, maar toch.
Money is bijna voorzien van een club- achtig sausje, zoals Gilmour dat ook wel eens bedacht zou kunnen hebben. Waters spoken-word is raspiger en heser dan ooit, maar bedenk dat hij in een donkere bar zit en álles valt op zijn plaats. Buiten die sferen is de tekst, een halve eeuw na dato, nog steeds actueel. We zijn niets opgeschoten.
Wat ook de charme is van deze herbewerking is, dat de teksten nog meer tot hun recht komen. Maar nergens zitten de meer aanwezige teksten de muziek in de weg. Subtiel maar prettig aanwezig in de mix weeft de muziek zich onder en door de tekst heen.
Us and them is ook al zo ge(s)laagd. Hier en daar probeert hij de intonatie van David Gilmour te benaderen. Het is dit moment op TDSOTM redux dat iedere twijfel verdwenen zou moeten zijn over dat Waters dit album koste wat kost zich toe zou eigenen. Het is recht omgekeerd: de geest van ieder voormalig lid waart door de hele herbewerking van Waters heen. Wie dit niet hoort is horende doof en ziende blind.
Any colour you like is bijna funky aangekleed met het basspel van Waters en zou zó in een jaren 70 blaxplotation film kunnen, indachtig de net gestorven Richard Roundtree. In Brain damage droom je weer weg in gedachten met het origineel en herinner je wat voor briljante plaat TDSOTM was, maar óók deze versie, in zijn gevarieerdheid tussen donker en licht, is.
Eclipse beeindigt het album in eenzelfde gedragen sfeer.
Is dit Waters zijn memento mori? Een recensie op Progwereld omschrijft, bijzonder raak:
‘Hier spookt een gevallen icoon nog eenmaal door je mooiste herinneringen’
Als de bladeren van Roger Waters op een dag af zullen vallen, wat hebben we dan nog kunnen genieten van dit late kleurenpalet. Maar, wie weet, verrast hij ons nóg eens, voor de winter van zijn leven en laat hij nog één keer zijn kale, meest zichtbare, vorm zien.
Eén opmerking over 'Roger Waters – The dark side of the moon redux (2023) *****'