Afgelopen weekeinde stond er een interview met Anna Enquist in Trouw naar aanleiding van haar nieuwe roman Het einde van Erna Ankersmit. Ik verbaasde me over een paar uitspraken van haar in dat interview. Eén was: “Oude mensen hebben volop reden om razend te zijn”, de ander was: “Het heeft iets gezonds om het naderende einde te negeren en te ontkennen.”
Als reden om razend te zijn gaf ze de volgende oorzaken: …”want ouderdom betekent dat je het ene na het andere verliest. Je vrienden gaan dood, je uiterlijk verandert, je werk stopt. En uiteindelijk verlies je je gezondheid, verlies je het leven. Dat is toch volop reden om razend te zijn?”
Mijn vraag is: wanneer zijn we de dood en de laatste fase in het leven zo gaan zien zoals – veel mensen – hem blijkbaar, zien? Waar is de acceptatie gebleven van het simpele feit dat er een opgang is, een plateau én de neergang? Waar is de, vroeger onbesproken, acceptatie van verlies verloren gegaan? En waardoor?
Kijk ik naar mijzelf met mijn schamele 56 jaar – iemand van 95 noemt mij jong, ik zit nog geen drie jaar van het moment dat mijn vader met pensioen ging – dan bespeur ik al een sterven wat al ruim twintig jaar geleden heeft ingezet. Niet lichamelijk, maar mentaal. Het begon met het overlijden van mijn moeder en werd nog eens stevig herbevestigd met het overlijden van mijn vader, op de dag precies negen jaar geleden. Sindsdien is het leven niet meer onbeperkt. Ik ben opgeschoven. Ik ben de next in line. Iets met memento mori en hodi mihi cras tibi. Leef ik daardoor minder? Integendeel: ik leef méér, juist omdat ik besef dat tijd steeds minder onbeperkt is. Over een paar jaar ben ik zestig en ik hou mij voor dat dan het laatste kwart van mijn leven aanvangt. Het laatste kwart ja.. de klok slaat dan zes uur ’s avonds en de avond van je leven breekt dan aan. Dat bedoel ik helemaal niet zwaar, maar feitelijk.
U vindt tachtig inferieur en u bedenkt zichzelf toch minimaal ruim tachtig plus aan den einder? Mijn vader had een grootmoeder die tachtig werd: het werd in die tijd omschreven als dat men behoorde tot de Zeer Sterken als je die leeftijd bereikte. Het is dus integendeel: pas toen ik geconfronteerd werd met de dood nam ik beslissingen die mij meer levend dan ooit deden voelen. Indachtig een soort wekker die in mijzelf af ging. Ja, ik weet – als ik het mag beleven – dat ik oud ga worden, met alle gebreken die daarbij horen. Ik zal mij blijven bekommeren om mensen die dat in mijn ogen waard zijn en die ook eens actieve interesse in mij tonen. Ik ga echt accepteren als ik op een dag op sta en dat opstaan knap tegen valt. Ik zou waarschijnlijk, laten we – op zijn zachtst – zeggen, opkijken, als ik gisteren nog 20 was en vandaag opeens 56 en het verschil ervoer in mijn lichaam met toen en nu. Daar moet zeker een opmerkelijk verschil in zitten, maar: ik denk dat je daar naar toe groeit, althans: dat zou het natuurlijke moeten zijn. Groeit, in de eerste plaats geestelijk, vanuit een besef dat het leven niet iedere dag feest zal kunnen zijn en dat je op een dag ook dat clownspak ook niet meer aan wilt hoeven trekken. Noem dat maar waardig oud worden, vanuit jezelf. Niemand anders gaat dat voor je doen of bewerkstelligen.
Het mag zo zijn dat op een dag je werk stopt, maar wat is dat: “je werk”? Is dat werk je geestelijke bestaan of een moeten waarnaast je, door de tijd, iets anders ontwikkelt op waar je door kan gaan, na dat stoppen van het werk? Is een vervuld leven niet onsterfelijk tijdens dat sterfelijke leven? Dat “vervulde leven” kun je op zoveel manieren invulling geven, door iets te creëren, je te verdiepen n wat dan ook en interesse te hebben in mensen met eenzelfde brede interesse waarbij je energie voelt – ook al zijn ze 95 – en je met een luisterend oor, zonder dat oogmerk, energie terug geeft aan die ander. Juíst ouderen. Ja, daar moet je iets voor doen, maar zonder handwerk of geestelijke inspanning leven we een lethargisch leven wat ontaard in boosheid en het niet accepteren van verlies. Het niet accepteren van verlies komt vaak voort uit een geestelijk onvervuld leven. Wat niest met geloof te maken heeft, maar een eeuwig nieuwsgierige blik naar wat vanzelfsprekend lijkt, zoals een krokus die ontluikt, of naar verdieping in een vogel die je eenvoudigweg mooi vindt al heb je hem nog nooit gezien.
Keep wandering. Blijf rondneuzen. Al moet het op je knieën.
Een naderend einde negeren en ontkennen is het leven zelf miskennen.
“We vallen niet plotseling ten prooi aan de dood, maar naderen er geleidelijk aan. We sterven elke dag. Want elke dag wordt een beetje van ons leven van ons afgenomen; zelfs wanneer we groeien, neemt ons leven af. We verliezen onze kindertijd, dan onze jeugd, en dan onze jongvolwassenheid. Tot gisteren is alle voorbijgegane tijd verloren tijd; de dag die we nu doorbrengen, wordt gedeeld tussen onszelf en de dood. Het is niet de laatste druppel die de waterklok leegmaakt, maar alles wat er al uit is gestroomd.
Seneca, Brieven 24.19″