Eier ee’n !

Het is bijna Pasen, ik heb hem al even niet gezien, dus hoog tijd voor een bezoek aan de door mij zo gewaardeerde boer Bertus. Hij blijkt bij de bingo te zitten, maar wordt daar vandaan gehaald. “Ja, het bezoek is óók “wel leuk.” Zoveelste staalkaart van understatement dat hij heel blij is me te zien. Je moet het wel weten. Het kunnen lezen. Na een aantal jaren kan ik dat. De oosterling is er één van het kleine gebaar en niet van de luidruchtige klank.

Hij verblijft in een omgeving die eenvoud uitstraalt, eenzelfde eenvoud als toen hij nog op de boerderij woonde. Het gesprek is klein, het effect groot. Je kunt niet anders dan uitermate rustig worden van een bezoek aan Bertus. Terloops breng ik het gesprek op de aanstaande Pasen en ik vraag hem naar zijn herinneringen zijn uit zijn jeugd. Hoe het gezin Pasen indertijd vierde (hij is uit 1937).

Beslist: “Eier ee’n !”

Denk nu niet dat het hier om chocolade eieren ging. Die had men toen niet óf men deed er niet aan. Het was eerst tijd voor de plichtplegingen van het kerkbezoek, maar ’s middags werd de Pasen losser ingevuld: dan mocht je net zoveel eieren eten als je wilde. Maar wat had je er aan als je dat ongemerkt deed. Nee, daar werd een element van wedstrijd aan verbonden. Het gezin had kippen en dan kwamen al ruim van tevoren mensen aan de deur: “Bewaar die eieren voor mij.”

Hij vervolgt: “Ja, want dan moet je wel eier’n hebben.”

Het is weer van die zalige Cruyffiaanse logica die deze voormalig boer – maar nog steeds in hart en nieren – over mij uitstort. Zo van: die bal moet wel rond zijn. Ik geniet er iedere keer van. Het is niet iedere keer raak, maar als je alert bent valt er weer zo’n onverwachte verbale uitspraak uit de boom. “Zo was dat vroeger.” “Hoeveel he’ jij d’r gehad, en hoeveel kun jij d’r op?” “Ja, als je kippen had.. dat was een lóóp.” Na de middag werden de eieren gekookt en dan ’s avonds eten.

Ik vraag of hij niet hartstikke misselijk was als je zoveel eieren op at. Er komt weer een typisch antwoord: “Ja, nou, ik he’ d’r nooit geen last van gehad. Ik stelde ook mijn peil wel bij in. Niet over de drempel. Ja, maar zo is ’t toch met méér dingen. Je hebt wel meer dingen wat je eet. D’r wordt dan teveel gegeten. Je hebt d’r bi’j die eten zoveel dan zijn ze na die tijd een dag niet lekker.”

Of ze in zijn jeugd ook al aan een Paasvuur deden:

“Ja ja ja.”

Het snoei- en hakhout van de appelbomen uit de bongerd werd verzameld en daarmee werd het vuur gemaakt. “Je moet ook een beetje naar de wind kijken he? Als je die kort bij huis hebt staan, net tegen de muur aan, da’s niet fijn.” Bertus verteld over een familie die in een houten huisje woonde in het land, die dan kwamen kijken naar de paasbult en ik voel opnieuw dat gemis over een tijd die ik niet heb kúnnen meemaken, maar zo graag hád meegemaakt. Een tijd van naast elkaar, en niet altijd mét elkaar, maar wel altijd bíj elkaar.

Wat ook bij elkaar ligt zijn vier boeken op het nachtkastje. Vergis u niet. Bertus is geen belezen man, maar wél uitermate nieuwsgierig. Vier boeken. Méér heeft hij ook niet nodig. Een leven in zakformaat. Drie voor mij heel bekende boeken en rechts daarvan een kloeke bijbel. Het jaartal valt mij opeens op: 1937. Hij moet het bij zijn geboorte hebben gekregen.

In zijn nieuwsgierigheid blijft het heden ook bewaakt. “Maar je mág tegenwoordig niet meer branden he?” Het gesprek vervolgt over de (belachelijke) eisen rondom paasvuren. “Ja, want tegenwoordig kun je niet zo wat meer een vuurtie stoken?” Wie hem kent hoort het subtiele protest. Nooit luid uitgesproken, maar in de kalme meandering en intonatie van woorden besloten, als een oude wijze indiaan. Opperhoofd van een inmiddels verlaten grond, maar het hoofd vast verankert in de oude grond. “Vroeger toen ik zo’n jongen was begonnen ze, als de winter begonnen was, takken slepen. Dat was wat vroeger. Ja, maar ja, wat doe je er aan. Zo was dat vroeger.”

Een bezoek aan Bertus is opgesloten worden in een miniatuur van de tijd. Een tijd, voorgoed voorbij, een verloren tijd, die je wilt terugvinden. En, hopelijk nog een tijd, uit eerste hand over wil horen.

“Ik vond het fijn da oe d’r bint.”

Ik ook Bertus.

Ik wens iedereen fijne Paasdagen.

Gepubliceerd door Thomas Kamphuis

Gepassioneerd Vikingtijd, natuur en cultuur liefhebber.