Den Haag en de Vogelwijk

14 juni. De 19e sterfdag van mijn moeder alweer. Klinkt lang. Is het ook. Ongelooflijk lang. Vervreemdend lang. Het is warm, net als toen en ik pak de trein naar Den Haag. Wil toch even zo dicht mogelijk zijn, ja, bij wat?

Den Haag. Altijd een haat-liefde verhouding mee gehad. De kakkineuze Vogelwijk waar ik opgroeide vóelde niet als Den Haag. Net zoals Westenholte niet voelt als Zwolle. Maar dat is weer een ander verhaal.

Ik kom aan op Den Haag Centraal. Heet het nog zo? Jazeker. Stamt nog uit de tijd dat de citymarketing op gang kwam. Het Staatsspoor verdween, Den Haag Centraal verscheen.

Tja, waarom ben ik uit Den Haag weg gegaan. Vele redenen. Een doorslaggevende ? De metropolisering van de stad. Althans: de wil tot uitstraling daar toe. Pretenties. Allure. Van mij mag het. Maar ik wilde er niet meer tussen wonen, tussen alle steen en glas. Hoge nieuwe woontorens aan de noordoostzijde van het station bevestigen mijn gelijk. Ik pak bus 24. God, ja, die bestaat ook nog. Op naar de Vogelwijk. Die obscure, raadselachtige wijk aan de Sportlaan. Ingeklemd tussen zee, duin en de eigenlijke stad. Waar ik opgegroeid ben en tot mijn 20ste woonde.

Ik besluit zodra ik de Houtrustbrug over ben snel uit te stappen. Weg uit die bus.

En dan opeens.. weer dat gevoel. Wat nooit zal veranderen.. die vervreemding..

Ik loop de wijk in, naar het Mezenplein. Verrék, bakker Driessen zit er – na ruim 40 jaar – nog steeds. Het is een graad of 25, 26 en knalzonnig. Ik puf het uit. Voelde die zon bij deze temperatuur vroeger ook al zó heet? Of ben ik vergeten hoe heet het bij zee kan voelen ? Nee, het is idioot heet en je zou levend kunnen verbranden. Dát is veranderd. Maar terug naar de Vogelwijk. Dat vervreemdende. Je loopt een soort van museum in, er is hier weinig veranderd sinds een (bijna) eeuw. Meer auto’s ja, maar dat is het dan ook. Een enorm gevoel van rust én desolate verlatenheid overvalt mij weer. Die haat-liefde verhouding. Hier ervaarde ik rust – de behoefte waaraan ik de rest van mijn leven niet meer van af zou komen – en die enorme verlatenheid.

De Nieboerweg. Haagse zuinigheid: met een – inmiddels ook al heel oud frontje – rijdt de tram uit de jaren 80 nog steeds hier. Herinneringen aan nóg eerdere versies en het gierende geluid in de rails, hoorbaar vanuit de Pauwenlaan op een heldere vriesavond. Herinneringen aan rennen naar de tramrails, koperen stuiver er in leggen, en dan van een afstandje bekijken als de tram er overheen reed en dan gaan kijken hoe die stuiver er uit zag. Toen je dat nog kon doen. Nu totaal onmogelijk met alle verkeer. De tram is leeg. Verlaten.

Op naar de Pauwenlaan, de laan waar ik opgroeide.

Dit is wat nieuws: een tuintje aangelegd rondom een boom in de laan. Uiteraard mét waarschuwingsbordje. En… níemand. Níemand.. Ik schrik als er een klusjesman ergens een huis uit loopt. Hij zal de enige zijn die mij groet vandaag. In een stad met meer dan een half miljoen inwoners. Oh nee. Een 90 jarige man zal mij ook begroeten, omdat ik hem aanspreek. Maar andersóm? Living in another world. Hier ben ik tussen opgegroeid. Nogal wereldvreemd.

De Pauwenláán. Jazeker. Laan met bomen. Goudiepen om precies te zijn. Sommige staan er al sinds de jaren 30. De laan zo stil als in de jaren 30. Als je de auto’s weg denkt. Misschien rijdt er een auto per kwartier doorheen. That’s it. Hier parkeer je niet. Hier resideer je. Hier rij je niet weg. Hooguit voor het hoogstnoodzakelijke. Vandaar dat alles stil staat. De tijd ook. Dat, vooral.

Hee ! Er is nog 1 huis in de straat met de originele kozijnen uit 1930 ! Jawel, zoals wij ze ook hadden. Kierend als een gek, enkel glas. (waar toen geen haan naar kraaide, dat enkel glas. Zo winterhard als men was. Onder de douche de Siberische noordooster langs je nek en schouders. Toen winter nog winter mocht zijn. Toen mijn ouders het huis verkochten, stonden mensen in de rij en waren ze gek op de originele details. Andere tijden.

Het ouderlijk huis. Met nieuwe kozijnen. Originele voordeur. Ik twijfel. Ik stond hier al verschillende keren. Ben 25 jaar niet binnen geweest. Zou ik? Ik bel aan. Het blijft helemaal stil. De voorziening? Wordt ik beschermd voor een niet te omschrijven teleurstelling? Het huis van de buren heeft te koop gestaan. Voor 1,3 miljoen verkocht.

Wat daar mee gedaan is. Een totaal sfeerloze en kille verbouwing, inclusief tegeltuin achter. Twee vaatwassers. Vogelwijkstandaard? Hebben die mensen continue feesten en afwas voor een weeshuis? Met het verdwijnen van de oorspronkelijke bewoners vanaf de late jaren 80 trad het verval in. Kwam het Nieuwe Geld. Vaders met bakfietsen en een soort bedacht net iets te lang haar. De buren aan wie ik goede herinneringen heb. Waar nog contact mee was. Een creatieve buurvrouw. schilder en kunstenares Annie van de Ruit. Google haar maar eens.

Vogelwijk of niet: ik woonde níet in een villa. Ik woonde in een rijtjeshuis. Dat gelooft men nog steeds niet. Of: met moeite. Tussen de villa’s woonde je in een rijtjeshuis. Jazeker. Aan de overkant staat een villa. Hier keek ik op uit, met een doorkijk naar de duinen. De duinen zijn echter geheel verstopt geraakt door bomen. In mijn jeugd keek ik nog naar de blanke top der duinen en helmgras. Een struikje hier en daar. Geen esdoornwoud. Stikstof en zo.. Op de garage aan de overkant kwam wel eens een fazant. Zo dichtbij de duinen woonde ik. Nachtegaal en koekoek schalden je tegemoet in een windstille en heldere meiavond en – nacht. Tja, dan blijf je naar ruimte verlangen. Rust ook. Maar het type rust wat in de Vogelwijk hangt? Nee.

Ik vervolg mijn weg naar de duinen. Het Westduinpark. Hee, er staat een Italiaans ijskarretje. Alsof het weer 1976 of 1983 is. 1983. The Motels – Suddenly last summer speelt al de hele dag door mijn hoofd. Voor altijd verbonden met die fraaie zomer van 1983. Zo’n dag als vandaag. Dat je denkt: dit blijft tot dik in september.

Het Uilenlaantje (in de jaren 80 zo genoemd door een ruim 70 jarige overbuurvrouw, die vertelde dat haar vader het al zo noemde). Verrek ja, het uilenlaantje. De uilen, de bosuilen om precies te zijn, ontdekte ik pas op 28 februari 1983 in de Pauwenlaan. Ik was naar zolder verhuisd en al roepend zag ik een bosuil zitten, op de schoorsteen. Ik zal het nooit vergeten. 1983.

Het uilenlaantje. Hoe vaak heb ik hier niet met mijn vader gelopen? Oe, wat mis ik hem, hier lopend. Hij had het vast veel te warm gevonden. Wachtend op de avond, de zeewind die het dan even afkoelde. Niet die overdreven hitte en vooral: droogte, die vandaag de dag speelt. Nog geen half juni en de duinen zien er uit alsof het laat augustus is. Bizar.

Langs het atletiekterrein, waar ik hardliep, kogel stootte, speer wierp, hoog sprong en wat al niet meer. maar wat ziet mijn oog. Nieuwe appartementen. Is er nu alwéér een school waar ik op zat gesloopt? Doorlopen in de duinen, of tóch even gaan kijken. Ik besluit de Laan van Poot (genoemd naar de zogeheten koddebeier, boswachter Poot, die in de Bosjes van Poot in de Oude Tijd, aan het begin van de Laan van Poot, toezicht hield, met en zonder woorden). af te lopen en te gaan kijken.

Ah, gelukkig. Hij staat er nog. De Nutsschool. In naam al een oude school: in 1979 werd het 175 jarig bestaan gevierd. Markant gebouw uit begin jaren 30. Links een paar appartementengebouwen. Tja. Waar ooit de school voor lichamelijke opvoeding, de HALO, stond. Den Haag moet geld verdienen en geeft dan grond uit. Maar de school, die staat er nog.

Hier zat ik op de peuter- en kleuterschool. En lagere school. En weer: die haat-liefde verhouding. Want die Nutsschool: daar heb ik het toch niet bijster naar mijn zin gehad. Het dagelijkse móeten. Ik herinner mij nog een uitspraak op de lagere school: ‘Oh, maar mijn leven begint pas om 17.00 hoor.’ Nogal een bevreemdend statement op je 11e. Voor de omgeving dan. Maar het zoveel uur opgehokt zitten in een klas, binnen, was mij een gruwel. Ik voelde mij een oude ziel tussen kinderen voor wie het hele leven nog moest beginnen. Totaal geen connectie. Totáál niet. Vanaf mijn vroegste herinneringen. Hypersensitief? Een afwijkend soort intelligentie? Dat soort beschrijvingen bestonden toen nog niet. Laat staan enig begrip voor anders-zijn. Ik loop door naar de hoofdingang. Het is er doodstil. Ach ja, woensdagmiddag. De kinderen zijn vrij. Weer die desolaatheid.

Een leeg plein. Vrij van gevaar. Gevaar, wat ik daar zo vaak gevoeld heb. Omdat ik anders was dan de rest. En mij daar vooral niets van aantrok. Ik verklaarde mij in mijn hoofd vanaf het vroegste besef vrij. Ja, en dat botst uiteraard. Maar nu ben ik hier. Ruim 40 jaar later. Op deze andere verlaten plek in de Vogelwijk. Een vreemde in een vreemd stuk land. Maar toch zo bekend. Ik bel aan. Een schoonmaker gebaart dat ze niet open kan doen.. ook hier: een dichte deur.

Nutsschool. School voor gekken, zoals Amerikanen dachten. Niets veranderd. Rechtsboven de directeurskamer.

Onderaan het ronde trappenhuis, aan de buitenzijde, zocht ik wel eens naar kleurrijk glas-in-lood glasstukjes, die er op de één of andere manier, uitgesprongen waren. Later tenniste ik tegen de muur. Dat is dan wél weer heel erg Vogelwijk..

De trap naar het fietsenhok in de kelder. Herinnering aan grote wolfsspinnen, oude betongeur en nooit weten wie je achtervolgde, of bovenaan de trap opwachtte. Er is een heel slijtspoor aan de rechterzijde van de trappers van fietsen die hier omlaag gesleept werden. Bizar. Waarom sta ik hier en fotografeer ik dit?

Is het op mijn bijna 54ste nog steeds verwerking van dingen dat ik hier sta. Is het verbazing over een plek waar ik zoveel pesterijen en angst ervoer? Is het relativering van die tijd, vanuit een, inderdaad zelfstandig geworden ik, beziend? Het zal van alles wat zijn.

Er is wat groen gezet op het plein. Dat was er toen nog niet.

De totale verlatenheid in de Vogelwijk. Waar is iedereen?

Aan de overzijde de vaart, waar iedereen naar toe rende als het een nacht gevroren had. Vaak op gestaan, dat ijs. Kwam iedere winter wel een keer voor. Terug de duinen in.

Een hekje? Graast er tegenwoordig wat? Onduidelijk. Ik loop omhoog. Verbazend wat een bultje dit is. In mijn herinnering was dit toch een behoorlijk duin wat je op klom. Vader altijd met zijn hardzolige kantoorschoenen. Speciale wandelschoenen? Welnee. Hij liep er mee op en af in het Zwarte Woud in Zuid-Duitsland, Zwitserland en Oostenrijk. Prachtig.

Over een pad naar het zogeheten Hoge Duin ‘De Vulkaan’. De paden in het Westduinpark werden aangelegd in het kader van een werkgelegenheidsproject in de jaren 30. Ik zie een enkele man scharrelen naast de paden, iemand langs hollen en niemand groet mij, noch kijkt mij aan. Ik ben een onbekend iemand geworden in een zeer bekend landschap. Onherkenbaar. Alsof ik hier nooit gelopen heb. Maar het voelt nog als de dag van gisteren. Iedereen om mij heen is verdwenen. Dat is het rare van het leven – je verdwijnt niet als je overlijdt. Je verdwijnt soms met hele grote sprongen. Vooral als je terug gaat. Het verdampt. Vroeger dan ik ooit dacht voel ik mij een laatste der Mohicanen.

Staalblauwe luchten. Moordend heet. Alles staat er dor bij. Nu al.

In dit deel is nog iets van het duinlandschap van vroeger te zien, alhoewel het hier ook steeds beboster wordt.

Het slangekruid bloeit al, alsof het augustus is.

Het hoge duin op – ruim 30 meter ‘hoog’- hoe vaak ik hier niet geweest ben. Met mijn vader. Met vrienden die de vogels telden jaarrond. Nu.. is er echter .. niemand. Het lijkt wel gereserveerd voor mij. Om alleen te zijn, zelfs met mijn gedachten. Ik kijk naar het zuiden en zie een nieuw Kijkduin opdoemen. Dat hoef ik niet te zien, dat ga ik straks vermijden. Jaren terug is hier de grond afgegraven om het duin weer te laten stuiven. Het succes is mager en esdoorns steken alweer de kop op. Herinneringen aan een telefooncel onderaan bij het hoge duin. The Dutch Birding lijn bellen met een kwartje of twee, om te horen welke bijzondere vogel er nu weer gezien was. Tragere tijden.

Panorama Mesdag vervolgt..

De duinen. Ik vond en vind het er altijd fijn. Hoeveel kilometers liggen hier onder mijn voeten? In de verte de inmiddels skyline van Den Haag. In deze richting keek ik altijd in september naar de sperwers, op trek naar het zuiden. September 1987 zag ik er eens bijna 30 op een dag.

Blik naar het noordwesten. Men heeft vuilbakken neergezet. Vroeger waren die eenvoudigweg niet nodig. Wat je had, nam je mee.

Blik naar het westen. Dicht bij zee nog het meest open landschap met zand en duindoorn. Zelfs de grauwe Noordzee lijkt mediterraner vandaag.

Genoeg duin. Het is niet te harden in de onbarmhartig fel schijnende zon, zo midden op de dag. Op naar de Savornin Lohmanlaan. Kijken of er een vriendin thuis is.

‘Voor u is het een stuk gras, voor mij heeft ieder stuk een betekenis, een ziel’ oreerde ooit een indiaan opperhoofd. Zo is het ook hier, dit terloopse stuk land aan de voet van de duinen. Hier zochten we op de lagere school paaseieren. Het valt mij nog mee dat het onbebouwd is gebleven.

De vriendin blijkt ook niet thuis. Moet je maar niet, gelijk een landloper, overal aanbellen onaangekondigd.. het is, tenslotte, geen Westenholte.

Ik vervolg mijn weg naar het Savornin Lohmanplein en zie dat er een plaquette is geplaatst – ter nagedachtenis aan de Tweede Wereldoorlog – die ik niet ken. Een oude man bekijkt deze. Ik knoop een praatje aan, het eerste contact van vandaag, na kilometers lopen en het blijkt een man van 90 te zijn die alles om hem hen op die plek nog heeft zien bouwen. Ik voel mij schuldig: iemand belt en ik neem op. Einde gesprek. De vloek van altijd bereikbaar zijn tegenwoordig.

Les voor de volgende keer. Kijken wie belt en zodra niet van belang: lekker laten gaan. De man van 90 geeft me een “hand” in mijn bovenarm alsof híj zich verontschuldigt. Het zal het enige contact zijn met iemand in deze half miljoen stad deze dag. Te bizar voor woorden. Het is ook iets van Den Haag. Dat steile. Dat afstandelijke. In Rotterdam of Amsterdam zou je dat minder aantreffen.

Meer en Bos, waar ik ooit op de Daltonschool zat. Al jaren geleden afgebroken. Een overgangstijd. Daarna ging ik naar scholengemeenschap Westhage aan de Mient. Daar bloeide ik op. Hoorde ik, dankzij twee keer blijven zitten, bij de “ouderen”. Schudde ik dat juk af. Won aan zelfvertrouwen. Een vriend uit die tijd, Roel Mesman, zocht ik online 2 jaar geleden weer eens op. Na 35 jaar. Alsof er niets gebeurd was. Tot op de dag dag van vandaag dankbaar voor. Mijn enige connectie met het verleden in de Vogelwijk. De rest is overleden, weg .. vreemde in een bekend land. Maar toch niet meer helemaal. Dankbaar daarvoor. Ik besluit een kijkje te nemen bij Vogelasiel De Wulp. Lang geleden gewerkt.

Van nature enigszins voyeuristisch ingesteld wil ik zien of daar nog oude collega’s van vroeger rond lopen. Ik kom echter niet ver. Ik mag niet naar binnen, want er heerst vogelgriep. Ook hier weer: de kenmerkende dichte deur.

Jan, Ton en Peet Voois. Waar zouden ze zijn gebleven? In een gekke bui besluit ik naar Loosduinen te lopen. Kijken of ze er nog wonen. Onderweg kom ik de zoveelste ontevredenheid tegen in de maatschappij. Het valt mij nog mee dat ik geen omgekeerde vlaggen zien. Maar het vertoon is er.

De schuldige is, dit keer, Hofwonen, klaarblijkelijk een wooncoörperatie die niets meer wil investeren in dit soort verlopen buurtjes. Gevecht om dubbel glas. Anno 2023. Het is hilarisch als het niet zo treurig zou zijn. Ja, zo gaan we de klimaatdoelen halen, mensen.

Koud wonen: het klinkt potsierlijk op deze dag, maar Hofwonen toch.. Ik moet gelijk denken aan de man denken die tegen Michael Douglas in de film Falling Down (1993) roept – terwijl hij van de bank weg loopt waar hij geen hypotheek heeft gekregen – ‘I’m not economically valuable” – ik ben niet van economische waarde. Daar zit je dan in ijskoud Den Haag. Een nieuwe brievenbus. Dat kon er nog net van af.

Door naar Loosduinen. Voor de woning hou ik halt. Ik zie in één oogopslag dat het zeer waarschijnlijk is dat ze er nog wonen. Overal gesloten gordijnen. Een deurbel die uitgeschakeld is. Er wordt, ook hier, niet open gedaan. Even achterom. Deur naar de tuin is geopend, achter een half gesloten gordijn. Geen boe of bah. Ik verbaas mij. Het ziet er nog net zo uit als 35 jaar terug. 35 jaar, en al veel langer, staat het leven van deze mensen stil. Het verborgen leven van zovelen. Ik zie het bij mij in de buurt thuis ook. Totaal verleegte levens. Verleging. Het zou een Van Kooten en De Bie uitdrukking kunnen zijn. Met de nadruk op: stil. Ergens razend benieuwd hoe het ze de afgelopen tientallen jaren is vergaan, en toch: ook weer niet. Ik heb nooit meer iets van ze gehoord. Zo close als je was met het werken, tot in de nacht, in het vogelasiel en de vele stapavonden op het strand in de Flamengo’s, Klein Ockenburg en als het daar niets was: De Golf. En discotheek De Marathon.

Stil-stand. Stilstand. En ik ben verder gegaan. Op naar het eigenlijke doel van vandaag: begraafplaats Westduin. Ook hier is het stil. Nogal wiedes kan men zeggen, maar dat is tegenwoordig op een begraafplaats lang niet altijd meer zo. Een kaarsje branden zit er niet in. Klimaatverandering.

We waarschuwen wat af tegenwoordig. Gelukkig hier nog geen code geel of erger. Alhoewel zo’n rode kaars ook wel een signaal is, natuurlijk..

Een heel gesprek, gedempt, bij het graf. Je wil je ouders toch en beetje op de hoogte houden. Natuurlijk horen ze het niet. Doet er niet toe. Ik ben er geweest. Wie anders komt hier nog? Ik denk niemand. Ook zo vreemd. Weer die verlatenheid. Van voor tot achter in Den Haag. En toch: een serene plek.

Om 16.00 besluit ik op tramlijn 3 te stappen.

Ik zal, na vele vertragingen en omzwervingen, pas om 20.50 s zijn. Onderweg: de reizende mens. Altijd maar weer op reis. Het hele jaar door. Enkelglas en de ander heft het glas nog maar eens. Iets er tussenin lijkt niet meer te bestaan. Stilstaan of hollen.

Zo’n dag Den Haag, in al zijn stilte én drukte én herinneringen én gedachten is knap vermoeiend.

Eíndelijk: ik ben thuis.

Gepubliceerd door Thomas Kamphuis

Gepassioneerd Vikingtijd, natuur en cultuur liefhebber.

Plaats een reactie