The Excavation

Als je alle typen series denkt te hebben gezien..

Mijn vrouw ontdekt op NPO Start deze serie. The Excavation draait om twee met elkaar getrouwde archeologen: Ester (Lene Maria Christensen) werkt voor een lokaal museum, terwijl Michael (Anders W. Berthelsen) de baas is van het Nationaal Museum. Als Michael een subsidie wegkaapt voor de neus van Ester, ontstaat er frictie tussen de twee. Maar dan stuit Ester plots op een jaloersmakende vondst, waarmee een duizend jaar oud moordmysterie opgelost zou kunnen worden.

Drie van de zes afleveringen gezien hebbend, kan ik alleen maar zeggen: iedereen geïnteresseerd in geschiedenis, en dan al helemaal in de Vikingtijd, móet deze serie gaan zien. Werkelijk álle aspecten van de opgravings- én tentoonstellingscultuur komen aan de orde. Michael, baas van het Nationaal Museum, waant zich de koning te rijk met al zijn sponsorgeld voor een grote tentoonstelling over Harald Blátand (Blauwtand). Met het geld komen echter ook de verplichtingen én verwachtingen én meningsverschillen door en met de sponsoren. Geld lijkt de aandacht te kunnen genereren en groots uit te kunnen pakken, maar wat is die vrijheid nog waard? Wordt een tentoonstelling niet te nationalistisch en misschien wel populistisch? Allemaal tegenwoordige gedachten. Een haakje is snel gevonden; de haak waarover men – vermeend – kan struikelen nog sneller.

Aan de andere kant van het spectrum zien we een regionaal museum – het Ladby museum – die het met veel liefdewerk en oud papier gaande en staande houdt. Dan komt de ontdekking dat er zich in het depot van het Nationaal Museum – verborgen, nooit tentoongesteld, vergeten – voorwerpen bevinden die in 1914 gevonden zijn, niet ver van het Ladby museum. Het kleine museum loopt een aanvraag voor geld mis, het geld gaat naar het grote museum. Het vormt het startpunt van nieuwe opgravingen zo lang mogelijk buiten het zicht van de overheid, die, zoals altijd, de neiging heeft, de voorwerpen te nationaliseren. Wat wil zeggen: uit zijn regionale context te halen en in het grootste museum – lees: met het meeste geld – te herbergen en, als het geluk daar is, tentoon te stellen. Nieuwe opgravingen die met de meest moderne kennis van nu – gericht op een snel resultaat – ondernomen worden onder – verkapte – leiding van “experts” van het Nationaal Museum.

Dat is echter buiten de waard gerekend van Ester, de beheerder van het Ladby Museum. Kennis ter plaatse (bijvoorbeeld het geheugen van plaatselijke bewoners of de – geschiedenis – van de grond) overtroeven al snel de high tech drones en computerprogramma’s. Je graaft, wild, met haar méé. Je zit zelfs ondersteboven, onder de grond, als het voorwerp in kwestie, zélf, in de grond. Kijkend naar de opgraver. Een origineel denk- en gezichtspunt.

De ware sterren van de serie zijn echter de volstrekt geloofwaardige opgravingen, de voorwerpen die uit de grond komen en hoe zij er uit zien en het hele circus wat dan tot stand komt, waarbij de één nog meer verbeten wordt dan de ander om daar het maximale profijt uit te halen. Daarbij zijn de tech mensen evenzeer onwetend als de hippie achtige vrijwilligers, die op dag één al de zeefmachine stuk maken met een veel te hardhandige lijfelijke aanpak. Daaromheen, het is en blijft een Deense serie, speelt een “Festen” achtige plot, die zich openbaart in de allereerste aflevering tijdens, hoe kan het ook anders, een feest. Een feest, wat de vonk in het kruitvat blijkt te zijn voor alle andere opvolgende gebeurtenissen.

Het échte feest is, dat het de Deense producenten van dit soort series bestaan heeft een niet alledaags onderwerp te kiezen, tijdloos, en ons een genadeloze blik werkt op en in de menselijke geest. Van duizend jaar geleden en nú.

Aanrader !

Gepubliceerd door Thomas Kamphuis

Gepassioneerd Vikingtijd, natuur en cultuur liefhebber.