
Het nieuwe album van Frank Boeijen bespreken. Ik moet mij er toe zetten. Niet omdat ik niet nieuwsgierig ben, integendeel. Maar Frank Boeijen vraagt om een stille natuur, strijklicht en mist opdoemend als midden op een middag in januari. Geen hel licht, rusteloos blazende steppen ooster en luchtvochtigheidsgraad van iets over de 20%.
Laat ik toch beginnen. Paradijs van het grote niets komt tot ons met een nogal gewichtige toelichting van zowel Frank zelf op zijn website als van Frits Spits op de binnenzijde van het album. Frits Spits: ‘Waarin hij toegeeft dat hij ouder wordt en veel vergeet.’ Frank, op zijn website:
‘Ik zou zeggen:
luister er maar naar.
Beter wordt het niet.
Wie weet,
‘..het laatste woord..’
Wees niet bevreesd,
zolang het kan,
gaan we gewoon door.’
Paradijs van het grote niets begint met Hemel in je hoofd. Frank zingt over de duisternis zonder geluid. De sfeer is zomers, zomerzon en op het water. Stella Maris I laat een donkerbruin klinkende stem horen die een Boeijen laat horen die anders dan anders is. Op zoek naar jou laat een meer up tempo sfeer horen, die wel doet denken aan zowel de Frank Boeijen Groep tijd als de muziek die hij maakte in de tijd kort na het einde van die groep. De teksten zijn niet in één keer te “lezen” of te begrijpen. Sterker: van ieder nummer van Frank wéét je dat deze al naar gelang de dag of je stemming een ander gezicht aan neemt. Woorden die direct weer komen bovendrijven zijn: troostrijk, beschouwend, mysterieus. Op zoek naar jou is weergaloos. Alsof het weer 1990 of 1995 is.
In De zee waar hij nooit kwam – zo’n titel kan alleen Frank Boeijen bedenken – laat een bezonken zanger horen, op de rand van nazomer en herfst. De tijd schrijdt voort – hij wordt volgend jaar 70. Een zekere zwaarte wordt werkelijk prachtig omgeven met de zang die meandert, als een chanson, ontroering, Boeijen op zijn meest kwetsbaar en diepgaand. Wát een prachtig nummer. Op zijn best kan ik ronduit verdrietig worden van de muziek van Frank Boeijen en – plots verloren – afdalen in een stilte in mijzelf die ik te weinig bezoek maar zo helend is. Dat is een verdraaide, zij het soms ongemakkelijke kwaliteit. Duidelijk is dat Boeijen heel veel aandacht heeft geschonken aan Paradijs van het grote niets.
Stella Maris II is een bijna thematisch terugkomend boeddhistisch rustpunt tussen de bedrijven van Paradijs door. Raadselachtig resonerend in ‘we lachten ons dood.’
Het titelnummer, Paradijs van het grote niets, is weer zo’n reis door stemmingen, zinswendingen en gedeclameerde Boeijen puzzels waarbij de stukjes nooit echt op elkaar passen, maar waar je ieder stukje afleidt van die puzzel en een eigenstandige schoonheid krijg in vorm en kleur. Die puzzel van Boeijen zweeft los door de ruimte en het is een cadeau, niet minder dan een geschenk, deze ruimte weer eens te bezoeken – in het besef dat ik dat veel te weinig doe. Boeijen doet je – misschien wel als op geen enkel ander album – stilvallen. Fysiek, in gedachten.
Alleen de droom is qua klankkleur een nummer wat ook op Subliem gebaar had kunnen staan. Er zit een prachtige “flow” in Paradijs.. die je bij de hand neemt en van het ene nummer naar het andere neemt, waarbij alles in de perfecte volgorde lijkt te staan. Het geluid is prachtig, dromerig, als een kolk waar je nooit zal verdrinken zuigt de muziek je op. Stad zonder herkenning heeft diezelfde dromerigheid ‘ik ben niet op zoek naar iets of iemand, ook niet naar mijzelf, ik zoek mooie woorden.’ Frank Boeijen vindt mooie woorden, véle. De dromerigheid heeft iets urgents – niet alleen wordt zij gevangen in die mooie woorden, maar voorzien van iets hier en nu, wat niet kan wachten tot morgen. Het wordt nooit meer van hetzelfde of dat wat al gisteren gezegd is – het voelt fris en tegelijkertijd sta je voor dezelfde open deur van welkom die De Frank Boeijenstraat 1957 altijd is. ‘Ik zoek een plaats zonder geheugen. Nieuw land. Nieuw bloed.’ Verlangen we daar allemaal niet soms naar?
Mag ik – tussendoor – even zeggen dat álle muzikanten rond Boeijen geweldig zijn? Boeijen en zijn band ademen simultaan als twee longen. Het lange einde vervolgt de stroom waarlangs je loopt, maar waar je, als je ouder wordt, steeds langzamer langs lijkt te lopen. Totdat je de stroom los laat, niet meer rent om hem bij te houden. Het stromen is al genoeg belevenis in zichzelf geworden. Je rent niet meer naar wat het begin lijkt, maar begint aan het lange einde.
Stella Maris III leidt een ochtendgloren in, waarbij de rust tussen nacht en dag aanvangt.
Mijn lief mijn tedere lief is misschien wel het meest klein gehouden en persoonlijke nummer wat Boeijen ooit maakte. Gesproken, soms gezongen draagt Boeijen in de grootst mogelijke eenvoud de liefde voor, ‘die altijd op zoek naar woorden is’. Die langs het Kronenburger Park de weg kwijt is. ‘Hoe gaat dat dan?’ vraagt Boeijen zich af. Het lijkt een sombere zwanenzang op een oeuvre wat ik veel vaker ga draaien.
Mocht Paradijs.. van het grote niets een zwaan zijn, die langzaam, verdwijnend in de mist, verdwijnt, dan blijven we wachten op zijn terugkomst, misschien tegen beter weten in, maar nog altijd met de muziek van Boeijen, die onsterfelijk is.
Beter wordt het niet.
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.