Natuurblog 25 november 2020

Zodra het tegen het begin van de winter begint te lopen, althans, volgens de kalender, ga ik op uilenjacht. Ransuilenjacht om specifiek te zijn. Een soort uil die het zwijgzaamste is van het stel, het grootste deel van het jaar. In februari en begin maart is hij het vocaalst, dan hoor ik zijn balts her en der door Westenholte en net daar buiten op de Zalkerdijk. Een Turkse tortel achtig nasaal ‘wóeh- whóeh’ of ‘whééh- whéé-‘ klinkt dan in het donker, vaak in de vooravond vanuit een boom. Wanneer na het broeden de jongen uitvliegen zijn deze ook behoorlijk vocaal. Maar in de zomer wordt het alweer stil, en dat blijft het tot de late winter.

Ik heb altijd een ‘zekere plek’ bij één van de wijken van Zwolle, waar ik er een of meerdere weet te zitten in hun winterroestplaats. De plek specificeer ik hier niet; een uil is zeer op zijn rust gesteld, en op deze plek liep op deze woensdagmiddag aardig wat volk langs die zeer irritant achter mij ging staan om te zien waar ik naar keek, of luid van de fiets af riep ‘Vergeet je de uil er niet op te zetten?!’ Wat is dat toch met mensen dat ze op de momenten dat dat moet geen afstand meer van elkaar kunnen houden, zeker vocaal?

De ransuil liet zich deze middag bijzonder goed bekijken in het lage late najaarslicht. Toch merkte ik al dat ik toch eens moet uitzoeken hoe ik het geluid van mijn camera uit zet, want op het laatst leek hij toch gestoord daardoor en ging verzitten naar een ander deel van de boom.

Bij uilen voel ik mij altijd bijna beschaamd ze te bekijken bij hun dagrust. Je voelt je een indringer, maar ze zijn zo mooi en stralen een rust uit die ik van geen andere vogelsoort ken.

Op gegeven moment ben ik maar weg gegaan. Het is in de toekomst de vraag of de ransuil(en) in dit stuk van Zwolle nog kunnen overwinteren. Zwolle heeft woeste plannen met het gebied aan het Zwarte Water en de rand van Holtenbroek. Woningen en zo, want ‘Zwolle moet groeien’ en meer van dit soort wethouders onzin taal. Ik ben geen planoloog, maar een stad moet zijn rafelranden houden, zijn rommelige overgangen tussen de ene wijk en de ander. Je kunt wel blijven ‘inbouwen’ maar een soort als de ransuil verliest daarmee wel zijn rustplaats meer en meer. De havik is één van die succesvogels van de laatste 20, 30 jaar die hem naar het leven staat. Groenblijvende struiken en bomen blijven een must, op een plek die vrij is van al teveel menselijk verkeer. Vroeger, mid jaren 80 telde ik in het Zuiderpark in Den Haag soms wel 10 of 15 ransuilen in een stel dennen. Voorgoed voorbij sinds Den Haag begon in te bouwen en de omringende polders volgebouwd werden met Vinex wijken. Eeuwig zonde.

Nu nog rust aan de kades, maar straks?

Teruglopend via Frankhuis, nieuw Frankhuis is dit, sinds ook daar een rommelzone omgebouwd is tot aanpalende wijk van Stadshagen, lacht de eeuwige nazomer je tegemoet.

Ik weet nog goed, ik spreek hier nog over 2009 en 2010, dat we eind april of begin mei in Griekenland zeiden: ‘Goh, de klaprozen bloeien hier nu al’.

Ouwe koek, belegen herinneringen van weleer. De eerste bloeiende klaproos zie ik tegenwoordig mid april, en 25 november nog steeds, blijkt. Er zit nog geen begrenzing op verlenging van de de duur van het bloeiseizoen. 15, 20 jaar terug zag ik ze in Den Haag altijd pas bloeien in juni.

25 november..

Het aardige van dit nieuwe deel van Frankhuis zijn de wilde bloemen bermen voor de huizen. Ook hier bloeit nog van alles.

Een vroege kerstkrans aan de deur en een volop groen zijnde en her en der bloeiende bloemenberm: de opwarming van het klimaat in één beeld.

Boerenwormkruid schiet – opnieuw – de lucht in, alsof het zomerseizoen op aanvangen staat.

Even verder op zie ik zelfs een stokroos bloeien. Nog geen week voordat december op de kalender staat, het is nog allemaal mogelijk.

En wilgen.. natuurlijk die waren altijd als laatste aan de beurt, maar zagen ze er ooit zó uit eind november?

Komende zondag of maandag wordt pas de eerste vorst in de nacht voorspeld. Wederom enorm laat. Je kunt het de natuur niet kwalijk nemen dat men het zo langzamerhand wel gelooft met die Nederlandse winters van weleer.

Tijd om weer op huis aan te gaan. Het ‘koelt’ af in de namiddag van 9 naar 8 graden. Dat je dit op dit temperatuurniveau sowieso al opmerkt, is al een teken van deze tijd.

Gepubliceerd door Thomas Kamphuis

Gepassioneerd Vikingtijd, natuur en cultuur liefhebber.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: